Profesiocratie

NOS-hoofdredacteur Giselle van Cann maakte zich boos over de aantijging dat de NOS de opstand in Iran zou doodzwijgen. Ze heeft gelijk dat de NOS hierover wel degelijk heeft bericht. Maar voor kritiek zijn er wel degelijk goede redenen.

Volgens een telling van Grok besteedde de NOS afgelopen januari op haar website 5.061 woorden aan de opstand in Iran. Dat is slechts iets meer dan het aantal woorden over ICE in de VS in dezelfde maand. Ter vergelijking: over Gaza schreef de NOS afgelopen maand 2.150 woorden, in oktober vorig jaar 10.900 en in oktober 2023 zelfs 18.200. Gezien de schaal van het menselijk leed in Iran, het geopolitieke belang en de directe relevantie voor Nederland, steekt deze aandacht mager af.

Daar komt bij dat het islamistische regime vorige week dreigde met massale zelfmoordaanslagen in Europa, als reactie op het aanmerken van de Islamitische Revolutionaire Garde als terroristische organisatie. Die dreiging komt bovenop het risico van een regionale oorlog als Iran wordt aangevallen. Het gaat hier om het activeren van terreurcellen die al in Europa aanwezig zijn. Die dreiging is geloofwaardig: Iran heeft eerder, ook in Nederland, tegenstanders laten executeren. Over deze specifieke dreiging is op de NOS-site niet zoveel te vinden, terwijl aanslagen in Europa ons directer raken dan Iraanse raketten die tot Zuid-Europa reiken.

Gevaarlijke trend

Op inhoudelijke kritiek past een inhoudelijke reactie, geen moraliserende. De kwalificatie ‘kwaadaardig’ die Van Cann gebruikt is daarom laakbaar. Dit illustreert een bredere, gevaarlijke trend. Steeds vaker eisen professionals, wetenschappers, journalisten en medewerkers van extra-gouvernementele organisaties het gezag op om feiten te selecteren, te duiden en daar meteen een moreel oordeel aan te verbinden. Kritiek daarop wordt vervolgens agressief gepareerd, vaak met een verwijzing naar ‘de rechtsstaat’.

Die houding kun je aanduiden als professiocratie. Professiocraten maken de fundamentele fout zichzelf te vereenzelvigen met de rechtsstaat, in plaats van zich te zien als haar dienaren. Ze vergeten dat hun oordeel alleen bijzondere waarde heeft zolang het zich beperkt tot hun professionele expertise. Zodra het zich uitstrekt tot morele oordelen, politieke voorkeuren of de verdediging van institutioneel eigenbelang, overschrijden ze hun mandaat. Dan eigenen ze zich een oordeel toe dat in een democratie aan burgers toekomt. Daarmee vervuilen ze niet alleen het debat, maar ook de rechtsstaat zelf. Het is potsierlijk wanneer ze dit vervolgens rechtvaardigen met een beroep op diezelfde rechtsstaat.

Voor professionals die uit gemeenschapsgeld worden betaald geldt een extra verantwoordelijkheid. Het is onacceptabel wanneer zij het democratische debat niet faciliteren, maar juist smoren. Dat doet Van Cann door legitieme kritiek af te doen als kwaadaardig.

De kaste en haar reflexen

De sociale druk van deze professionele kaste is inmiddels zo genormaliseerd dat ze nauwelijks nog opvalt. Recent stuurden extra-gouvernementele organisaties een aanmatigende brief aan NSC, de partij van Europarlementariër Gotink, die wilde weten waaraan deze organisaties hun EU-subsidies besteden. Transparency International, nota bene een organisatie die zegt corruptie te bestrijden, vond het ongepast dat een parlementariër zich hiermee bemoeide. Zijn vragen werden afgedaan als een ‘feitenloze Trumpiaanse heksenjacht’. En ze beschuldigden Gotink ervan afbreuk te doen aan waardevolle maatschappelijke organisaties.

Dat verwijt is absurd. Iedere burger heeft het grondwettelijke recht kritiek te hebben op maatschappelijke organisaties. En iedere parlementariër heeft de plicht toezicht te houden op de besteding van gemeenschapsgeld, zeker als de kans bestaat dat extra-gouvernementele organisaties dat gebruiken voor politieke lobby of oneigenlijke beïnvloeding van het publiek. Voor een democratische rechtsstaat is het essentieel dat burgers en de politici die zij kiezen hun recht opeisen kritiek te leveren op de professionals die die rechtsstaat dienen. En vooral dat zij zich niet laten afschepen met de drogreden dat kritiek op instituties de democratie rechtsstaat zou ondermijnen. Kritiek is geen bedreiging van de rechtsstaat, zij is haar fundament. Meningsverschillen wijzen niet op gevaarlijke polarisatie, maar op een gezond functionerende democratie.

Professionals past bescheidenheid

Het hoort vanzelf te spreken dat het oordeel van professionals betwistbaar is. Wetenschappers, journalisten en medewerkers van extra-gouvernementele organisaties hebben de waarheid niet in pacht.

Genderwetenschappers mogen specialist zijn op hun terrein, maar welke morele conclusies aan hun bespiegelingen worden verbonden is onderwerp van maatschappelijk debat. Het is niet aan hen om te bepalen welke bijdragen aan dat debat toelaatbaar zijn. Professionals die critici van medische ingrepen bij kinderen ‘transfobie’ verwijten overschrijden hun professionele grenzen.

Rechtsstaatsgeleerden hebben gelijk dat Mona Keijzer zich met haar kritiek op de berichtgeving van de NOS over Gaza en hun vertrek van X op glad ijs begaf. Dit zou de eenheid van het regeringsbeleid kunnen doorbreken. Maar hoe proportioneel is hun kritiek als ambtenaren probleemloos konden demonstreren tegen hun eigen regering? En waarom zou Keijzer als gekozen volksvertegenwoordiger er niet op mogen wijzen dat informatie van Hamas verre van betrouwbaar bleek?

Journalistiek stelt haar eigen normen. Zoals Nieuwsuur-presentator Jeroen Wollaars terecht op X schreef: wat serieuze journalistiek is, bepaalt de journalistiek zelf. Maar burgers beslissen ook zelf over welke informatie zij willen beschikken en hebben het volste recht zich uit te spreken over de rol die journalistiek zou moeten spelen in een democratische rechtsstaat.

Hetzelfde geldt voor andere beroepsgroepen. De Orde van Advocaten komt niet het laatste woord toe over de rechtsstatelijkheid van verkiezingsprogramma’s. Hun oordelen weerspiegelen ook normatieve voorkeuren en institutionele belangen. In hun index worden bijvoorbeeld punten afgetrokken wanneer een partij strengere maatregelen voorstelt tegen gevaarlijke verdachten. Maar zulke afwegingen zijn in een democratie primair politiek. Dat NRC-journalisten zich bij hun ondervraging van Yeşilgöz tevreden leken te stellen met een verwijzing naar die index, alsof het een schoolrapport betrof, is gemakzuchtig. Yeşilgöz had groot gelijk hen te vragen op welk specifiek punt ze precies een reactie wilden. En ja, iedereen die journalisten om hun tekortkomingen bekritiseert, heeft daar recht toe.

Ook de Press Freedom Index van Reporters sans Frontières is geen objectieve maatstaf. Landen verliezen punten wanneer sociale media veel ruimte laten voor kritiek op traditionele media. Maar is dat niet eerder een teken van méér vrijheid dan van minder? Hetzelfde geldt voor de corruptie-index van Transparency International. Die oordeelt streng over landen, maar laat corruptieschandalen binnen de EU, zoals Huawei en Qatar, grotendeels buiten beschouwing. Bovendien veroordeelt zij landen op beleid dat de EU zelf ook voert, bijvoorbeeld het tegengaan van buitenlandse invloed. Dat oordeel verliest aan overtuigingskracht wanneer Orbán wordt bekritiseerd om het tegenwerken van Soros, maar Von der Leyen niet om het tegenwerken van Musk.

Ruimte voor verschil

Kortom, we zouden meer ruimte moeten laten voor verschillen van inzicht en juist minder voor een professionele kaste die inhoudelijke kritiek moralistisch beantwoordt. Professiocraten die kritiek beschouwen als ondermijning van de rechtsstaat, vormen daar zelf een grotere bedreiging voor.

Dit artikel is geschreven door Bart Drenth, lid van Klassiek Liberaal